De geschiedenis van het Hindoeïsme

De geschiedenis van het Hindoeïsme

Het Hindoeïsme kent geen stichter. Het wordt ook wel genoemd “Sanatan Dharma”, de eeuwige leer. Het is moeilijk, zo niet onmogelijk de oorsprong en ontwikkeling van het Hindoeïsme in India precies af te bakenen. Globaal kunnen we de geschiedenis van het Hindoeïsme in drie perioden onderverdelen:

I. De beschaving van de Indus vallei (vanaf ongeveer 3500 jaar voor Chr.) De eerste archeologische vondsten van de beschaving in de Indus vallei (de bewoners langs de rivier de Indus werden later Hindoes genoemd), betreffen de periode van ongeveer 3500 jaar voor onze jaartelling. Uit opgravingen bij Mohenjodaro (Heuvel der Doden) en Harappa is gebleken dat hier een hoogstaande beschaving bestond. De bewoners aanbaden God in verschillende hoedanigheden en in hun religieuze uitingen valt een duidelijke verwantschap met het latere Hindoeïsme te constateren. Zo werd bijvoorbeeld “Pasupati” de heer der dieren, later Shiva en werden er beeldjes gevonden van in lotus houding mediterende mensen of goden. Deze beschaving was etnisch Dravidisch (donkere mensen).

II. Het Vedische Tijdperk (tot ongeveer 1000 jaar voor Chr.) Dit tijdperk heeft een beslissende invloed gehad op de ontwikkeling van de Indische cultuur. De Veda's (Rig-, Sama-,Yajur- en Atharva Veda) werden eerst mondeling overgeleverd en bewaard door de priesters. Belangrijk was het Vedische ritueel, dat niet in de tempel, maar in de open lucht voltrokken werd. De samenleving was semi-nomadisch. De Vedische goden werden tijdens het ritueel niet door beelden vertegenwoordigd. Zij werden opgeroepen in de beeldende taal van de lofdichten en spreuken van de priesters. Door middel van woorden werden ze als het ware zichtbaar gemaakt en uitgenodigd om deel te nemen aan het ritueel en de offers in ontvangst te nemen. In de jongere Vedische teksten, de Upanishaden, gaat het om het verlossende inzicht in de eenheid van Atman en Brahman (de individuele ziel en de kosmische ziel). De basis van het Hindoeïsme wordt gevormd door de assimilatie van de beschaving in de Indus vallei (de Dravidische cultuur) met de uit het noorden komende Ariërs in één samenleving.

III. Het tijdperk van de epen (heldendichten) en de grote Hindoe mystici (tot heden). De twee meest belangrijke epen zijn de Ramayana en de Mahabharata (waarvan de bekende Bhagavad Gita een onderdeel is). Hoewel de oorsprong van deze epen uit zeer vroege tijden dateert, werden ze na de Vedische periode op schrift gesteld. In de Ramayana wordt in verhaal vorm de Hindoe ethiek, Dharma, aan de mensen geleerd. Het verhaal gaat over Rama (die zijn eigen belang ondergeschikt maakt aan het algemeen belang), Sita (de trouwe, toegewijde echtgenote) en Hanuman (de onbaatzuchtig helper). Alle drie bereiken de toestand van geluk, hoewel ieder vanuit een verschillende positie zijn plicht doet (de eigen Dharma volgt). Van de Mahabharata is vooral de Bhagavad Gita van belang. In deze teksten wordt in een dialoog tussen Sri Krishna (God) en Arjuna (de mens) de zin van het leven uitgelegd en worden de verschillende wegen om deze zin van het leven te realiseren aangegeven. Naarmate men meer van deze teksten gaat begrijpen worden ze dieper en mystieker.

De Bhagavad Gita kan worden beschouwd als het meest “heilige” boek van de Hindoes.

Als grote Hindoe mystici kunnen o.a. worden genoemd: Boeddha (6 e eeuw v.Chr.): uit zijn “heroriëntatie” op de Hindoe leefwijze van destijds, ontstond het Boeddhisme. Sri Shankara (788 - 820): grondlegger van de Advaita Vedanta (leer van de “niet - tweeheid”). Sri Chaitanya (1485 - 1533): een heilige die voor leefde dat bhakti, liefde tot God (bij hem in de vorm van Krishna) de weg is om tot het allerhoogste inzicht en geluk te komen. Mirabai (geboren rond 1550): mystica, dichteres die zich als de bruid van Krishna beschouwde (en hiermee “de eenheid” bereikte, het hoogste menselijk geluk). Sri Ramakrishna (1836 - 1886): mysticus die in een voortdurende staat van Gods-bewustzijn leefde. Hij leerde o.a. dat alle religies naar dezelfde mystieke werkelijkheid, God, leiden. Sri Ramana Maharshi (1879 - 1950): een Verlichte, een Rishi, die leerde dat meditatie direct op het Zelf tot inzicht in de spirituele werkelijkheid, geluk, leidt.